- Groep
- Klimroos (Large-Flowered Climber)
- Veredelaar
- Carruth / Weeks, 2007
- Knopvorm
- Puntig, donkerpaars
- Open bloem
- Halfgevuld, komvormig-bolvormig, in kleine trosjes; ~8 cm
- Hart
- Een witachtig ‘oog’ met een bosje helder gele meeldraden
- Kleur
- Diep wijnpaars / violetrood, donkerdere randen, verbleekt naar wit in het midden
- Vulling
- Halfgevuld, 10–13 bloemblaadjes
- Bloemstand
- In kleine trosjes
- Bloei
- Doorbloeiend in golven gedurende het seizoen
- Geur
- Matig sterk, kruidnagelachtig met een zoete noot
- Bloemduurzaamheid
- Heldere, ongewone kleur, opvallend op afstand
- Groeivorm
- Sterke klimroos; rechtopgaande, stevige scheuten
- Vertakking
- Goed
- Scheuten
- Bijna doornloos — een zeldzame en handige eigenschap bij klimrozen
- Doornen
- De scheuten zijn glad, vrijwel doornloos.
- Afmetingen
- 3–4,3 m hoog × ~1–1,8 m breed
- Steun
- Nodig: bogen, pergola's, muren, hekken
- Blad
- Halfglanzend, grijsgroen, 3–7 blaadjes
- Weerstand
- Goed (wordt beschreven als ziekteresistent)
- Gebruik
- Bogen, muren, hekken, pergola's