- Groep
- Alba (oude tuinroos)
- Veredelaar
- Jean-Pierre Vibert, Frankrijk, 1818
- Knopvorm
- Zacht roze / roze-crème
- Open bloem
- Platte komvorm, afgeronde bol; ongeveer 6 cm in doorsnede
- Kleur
- Melkwit met een lichte roze waas; opent crèmekleurig met een roze tint en verbleekt tot melkwit / bijna wit
- Vulling
- Gevuld, ongeveer 26–40 bloemblaadjes
- Bloemstand
- In trosjes
- Bloei
- Eenmalig bloeiend (voorjaar / vroege zomer; herhaalt niet)
- Geur
- Sterk: de klassieke zoete, honingachtige geur van albas
- Rozenbottels
- Albas vormen meestal langwerpige rode bottels (geen exacte gegevens voor dit ras)
- Groeivorm
- Hoog, rechtop, smal aan de basis
- Vertakking
- Goed
- Scheuten
- Ze buigen door onder het gewicht van de bloemen
- Doornen
- Heeft stekels, matig aantal.
- Afmetingen
- 150–185 cm hoog × tot 150 cm breed
- Steun
- Geen steun nodig, maar licht vastbinden is raadzaam (vanwege de hoogte en het gewicht van de bloemtrossen)
- Blad
- Blauwgroen (glauk), mat, gezond
- Weerstand
- Zeer goed (≈4.5/5): albas behoren tot de meest ziekteresistente
- Varianten van de variëteit
- Synoniemen: Illustris, Alba media; afkomst: zaailing Élisa (Alba) × onbekend. Er bestaat ook een andere, latere Noisette ‘Jeanne d'Arc’