- Groep
- Engelse roos (English, Austin); klimroos (English Climbing)
- Veredelaar
- David Austin, 2000
- Knopvorm
- Rond, roze
- Open bloem
- Zeer dicht rozet, licht gewelfd; 8–10 cm
- Hart
- Dicht opeengepakte, netjes gerangschikte bloemblaadjes
- Kleur
- Warm roze in het midden, bleekroze randen
- Vulling
- Zeer gevuld, ongeveer 100–130 bloemblaadjes
- Bloemstand
- Afzonderlijk en in kleine trosjes
- Bloei
- Doorbloeiend in golven, van eind voorjaar tot de vorst
- Geur
- Zachte geur van oude rozen, licht tot matig
- Bloemduurzaamheid
- Een groot, opvallend rozet
- Groeivorm
- Krachtig, rechtop; lange, licht overhangende scheuten
- Vertakking
- Goed
- Scheuten
- Lang, buigzaam
- Doornen
- Bijna doornloos: een groot voordeel voor bogen, muren en hekken.
- Afmetingen
- Als struik ongeveer 150 × 120 cm; als klimmer tot ongeveer 3.75 m
- Steun
- Als klimmer heeft het steun nodig (bogen, hekken, muren); als struik niet
- Blad
- Middelgroen, gezond
- Weerstand
- Zeer goed; reputatie van ‘vrij van ziekten’
- Gebruik
- Een hek, boog, muur of een grote struik