- Groep
- Large-Flowered Climber
- Veredelaar
- Eugene Boerner; Jackson & Perkins, 1953
- Knopvorm
- Vol, diep roze
- Open bloem
- Groot, komvormig, gevuld; 8–10 cm in doorsnee
- Hart
- Dicht gevuld, opent geleidelijk met de leeftijd
- Kleur
- Diep rozekarmijn (kersrood) met een lichtere zilverachtige achterkant van de bloembladen; de verzadiging verbleekt iets tegen het einde van de bloei
- Vulling
- Gevuld, ongeveer 33 bloembladen
- Bloemstand
- In grote bloeiwijzen (trossen)
- Bloei
- Doorbloeiend, in golven gedurende het seizoen (ongeveer juni–november)
- Geur
- Licht, onopvallend (volgens registratiegegevens; sommige catalogi zeggen 'sterk')
- Rozenbottels
- Meestal gesneden om de doorbloei te stimuleren
- Groeivorm
- Een krachtige, vertakkende klimstruik; een goede 'zuil'roos
- Vertakking
- Goed, dicht
- Scheuten
- Lang (ongeveer 3.5 m), relatief buigzaam, makkelijk vast te binden
- Doornen
- Volgens Peter Beales (niet precies gedocumenteerd in het register).
- Afmetingen
- 215–365 cm hoog × tot 245 cm breed
- Steun
- Heeft steun nodig: een muur (ook een noordmuur), hek, zuil, boog, pergola
- Blad
- Glanzend, dicht, gezond, donkergroen
- Weerstand
- Goed: weerstand tegen echte meeldauw en sterroetdauw
- Varianten van de variëteit
- Kan ook als grote struik worden gekweekt; verdraagt halfschaduw en een noordmuur, een grote zeldzaamheid onder klimrozen