- Groep
- Hybride Musk
- Veredelaar
- Lambert, 1904
- Knopvorm
- Klein, goudgeel
- Open bloem
- Klein, halfgevuld, vlak komvormig; open gele meeldraden; ongeveer 3–4 cm in doorsnede
- Hart
- Open, met een bos helder gele meeldraden
- Kleur
- Crèmewit, vaak gelig vanuit de knop; soms een lichte roze blos
- Vulling
- Halfgevuld, ongeveer 10–20 bloemblaadjes
- Bloemstand
- In grote piramidevormige trossen (pluimen) aan de uiteinden van de scheuten
- Bloei
- Doorbloeiend gedurende het seizoen; zeldzaam voor 1904, en juist dat maakte Trier tot een sleutelroos voor de veredeling
- Geur
- Uitgesproken, zoet, met een vleugje kruidnagel; de kenmerkende muskachtige geur
- Rozenbottels
- Klein en roodachtig als uitgebloeide bloemen niet worden verwijderd
- Groeivorm
- Hoog en uitwaaierend; kan als grote struik worden geleid of als kleine klimroos tegen een steun
- Vertakking
- Krachtig; veel buigzame scheuten
- Scheuten
- Lang, overhangend
- Doornen
- Weinig doornen, een erfenis van de multiflora-lijn.
- Afmetingen
- 150–250 cm; tegen een steun tot ongeveer 300 cm als kleine klimroos
- Steun
- Niet noodzakelijk; hij houdt zich staande als vrijstaande struik, en als men dat wil, kan hij langs een lage steun of muur worden geleid
- Blad
- Lichtgroen, gezond, met veel blaadjes (multiflora-type)
- Weerstand
- Goed; schoon, gezond gebladerte, dezelfde eigenschap die zijn nakomelingen beroemd maakte
- Historische rol
- Stamvader van de Lambertiana- en Hybride Musk-lijnen