- Groep
- Klimroos (Climbing HT)
- Veredelaar
- Charles Mallerin, Frankrijk
- Knopvorm
- Zeer donker, bijna zwart fluweelachtig knopje
- Open bloem
- Groot, van komvormig tot vlak, oud type; diameter ~8–10 cm (geen exacte gegevens)
- Hart
- Gouden meeldraden die helder oplichten tegen de bijna zwarte blaadjes
- Kleur
- Zeer donkerrood en fluweelachtig, met een zwartachtige glans (zwartkarmijn) — een van de donkerste rozen in de cultuur. In brandende zon verbranden de randen van de blaadjes.
- Vulling
- 26–40 bloemblaadjes
- Bloemstand
- Voornamelijk alleenstaande bloemen
- Bloei
- Meestal één rijke golf in het voorjaar of begin van de zomer; doorbloeien is zwak en onregelmatig. Behandel hem niet als doorbloeiend.
- Geur
- EEN VAN DE MEEST GEURENDE ROZEN VAN ALLEMAAL — zeer sterk, warm, honingachtig-kruidig met een fruitige theenoot; de geur verspreidt zich vooral in de avond. Dit is de belangrijkste deugd van het ras.
- Groeivorm
- Een sterke, grote klimmer (Climbing HT / Large-Flowered Climber) — lange, krachtige scheuten
- Vertakking
- Na verloop van tijd vormt hij op zijn steun een grote bloeiende muur
- Scheuten
- Lang en sterk; ze lenen zich goed voor een muur, boog of pergola
- Doornen
- Matig aantal stekels (geen exacte gegevens).
- Afmetingen
- 300–500 cm hoog (volgens RHS tot 800 cm) × 250–400 cm breed
- Steun
- Een stevige steun is essentieel — een muur, boog, pergola of latwerk; een goed geventileerde plek heeft de voorkeur
- Blad
- In vochtige, beschaduwde plekken is hij vatbaar voor sterroetdauw en echte meeldauw — goede luchtcirculatie is nodig
- Varianten van de variëteit
- Geen codenaam — een oud ras (~1937–1938)